Een kleine ode aan Meneer Van Stokkum

Enige tijd geleden, het zal in 2014 of 2015 zijn geweest, maakte ik in de Stad met de Grachten bovenstaande tekening – uit het hoofd en min of meer toevallig, want toen ik begon wist ik nog niet ‘wat het zou worden’. Het was bovendien een nostalgische proeve van bekwaamheid want ik maakte de tekening met de Wasco-krijtjes uit het versleten Talens-doosje van de middelbare school.
Ik bewaar dat doosje van mijn toenmalige hbs al ruim vijftig jaar, in telkens een ander dressoir of boekenrek en samen met het versleten stukje zakdoek waarmee je de kleuren destijds kon uitwrijven tot ze als was gingen glimmen, en samen ook met het schroevendraaiertje waarmee je al schrapend en krassend de donkere tinten wat lichter kon maken. Dat schroevendraaiertje kwam dan weer uit zo’n Chinees setje mini-schroevendraaiers dat je destijds voor een paar gulden bij de plaatselijke Winkel van Sinkel kon kopen. Ze liepen qua dikte en grootte stapsgewijs op en je kon er afhankelijk van het formaat zo ongeveer alles mee los- of vastdraaien: van het schroefje van de brilpoot en het batterijklepje van de Märklin-trein tot de nukkige maxi-schroef in de voet van de souvenir-Eiffeltoren die altijd wat scheef op het nachtkastje stond.
Verder had je er weinig aan, aan deze meestal overtollige schroevendraaiertjes met hun geribbelde handvatten. En dus waren er op zeker moment nog maar weinig van over. Zoals die ene, kleine, voor de terugname van de Wasco-kleuren. De tekening heb ik Snelweg bij avond gedoopt en die oogt vooral daarom zo somber omdat het allemaal niet heeft mogen baten: de snelwegen kwamen er toch, overal in het land en soms zo opdringerig dat ze uiteindelijk wel naar iets of iemand moesten voeren. In elk geval verbonden ze de stad met de omliggende ‘groeigemeentes’ en dat met zulk een dwingelandij dat je ze na verloop van tijd overal ging zien, op hoge poten en met een kordaatheid die nauwelijks tegenspraak duldde. En ja, een ervan voer vlak langs het dorp van mijn jeugd. Want de vooruitgang hou je niet tegen, ook al zet je er nog zoveel vraagtekens bij, en mede daardoor heb ik later nog vaak teruggedacht aan de lessen van mijn tekenleraar van toen.
Die tekenleraar heette Van Stokkum en hij werd, misschien wel vanwege zijn rijzige gestalte, steevast aangesproken met Meneer Van Stokkum. Een grappig eufemisme, want Meneer Van Stokkum was in alles géén heer, maar met zijn wat morsige voorkomen wel een minzame man aan wie het tumult van de eigentijdsheid grotendeels voorbij leek te gaan.
Verder zag je Meneer Van Stokkum niet vaak. Op school leek hij elke bemoeienis met de gang van zaken daar te vermijden en buiten de lesuren leek hij simpelweg verdwenen, misschien omdat hij ergens in een dorp verderop woonde. Des te verwonderlijker dat hij daar op die zonnige zondagnamiddag na een ochtend vol regen zomaar opeens zat, op de kermis van mijn middelbare-schooldorp en op een wiebelig klapstoeltje terwijl hij de mallemolen tekende.
Ik stond zwijgend naast hem en keek naar het schetsboek dat opengeslagen op zijn bovenbenen lag. Met een paar zwierige lijnen probeerde hij daarin het juichend gezwaai van de ronddraaiende kinderen te vangen en toen de mallemolen weer tot stilstand was gekomen, met schuddende paardenkoppen en de deinende koets van Doornroosje, bladerde Meneer Van Stokkum terug naar zijn vorige schetsen, terloops bijna en al was het maar om nog even wat meer van zijn welbestede middag te laten zien.
‘Dit is niet makkelijk,’ zei hij, al bladerend, en daar bleef het bij. Ik zag nu ook de Rups en de schommels, al even knap in een paar lijnen gevangen, net als de botsauto’s en de Holly-Holly, en nog weer later hingen zijn schetsen in de bibliotheek, een laag noodgebouw van versleten without aan de kop van de kloostertuin. Het rook er naar boenwas en linoleum, je mocht er als niet-volwassene maximaal twee romans en twee ‘ontwikkelingsboeken’ per keer lenen, en de schaduw van het nabijgelegen Carmel-klooster viel er bij zonlicht nog net naar binnen, zo langzaam verschuivend dat de hele wereld ervan vertraagde.
In mijn herinnering hingen de schetsen van Meneer Van Stokkum er een beetje achteraf, naast de wand met de moeilijke boeken, en af en toe bleef er iemand staan om wat langer te kijken.
Ik ben er een paar keer gaan kijken, ook als ik geen boeken terugbracht, en de tekeningen werden steeds mooier. Ik hoop dat Meneer Van Stokkum heel oud is geworden.